Arjan Peters en het einde van de literaire kritiek

Met de hieronder verwoorde irritatie loop ik al enige tijd rond. Ik heb me nog wel even afgevraagd of ik er anderen mee lastig moet vallen, maar ja, het is mijn log. Als je er geen zin in hebt: er zit een knop op je pc. Enfin, lees even mee wat de gevreesde criticus Arjan Peters te melden had over De procedure van Harry Mulisch en over de door hem slaafs bewonderde W.F. Hermans, en vergeet niet te letten op zijn schitterende wijze van formuleren.

Een genie kan geen fouten maken. Ziedaar de verblinding die vat krijgt op de bevattelijke lezer wiens mond open valt als hij een boek van Harry Mulisch ter hand neemt.

De ongeneeslijke lezer, 162.

Ook Willem Frederik Hermans kon krakkemikkige zinnetjes afleveren, gesteld in een eigenaardig ritme, maar in zijn romans wordt dan ook een wereld getoond die allesbehalve glanzend en idyllisch is.

De ongeneeslijke lezer, 163.

Redeneringen als die in het tweede citaat hebben me er al wel eens toe gebracht Arjan Peters te omschrijven als de Maxime Verhagen van de Nederlandse letteren. Zoals Maxime, aanvoerder van de applausmachine van JPB, zich in de meest kolderieke bochten wringt om de flaters, bloedeloze compromissen en de opzichtige incapabiliteit van het huidige kabinet voor te stellen als het summum van politieke geesteskracht, zo dweept Arjan Peters zich een ongeluk met alles, ja alles wat W.F. Hermans ooit heeft gezegd en gedaan.1 Peters laboreert precies aan wat hij de liefhebbers van Mulisch verwijt: kritiekloze bewondering die blind maakt voor enig foutje van de vereerde.

Maar, ik zal hem volledig citeren, zoals dat hoort. Aan het tweede citaat gaat nog een kekke redenering vooraf die genoemd moet worden:

Het gaat mij om de zinnetjes in verhouding tot de pretentie.

De ongeneeslijke lezer, 163.

En om welke ‘pretentie’ gaat het dan? Mulisch’ pretentie houdt volgens Arjan Peters het volgende in:

De onachtzaamheid van Mulisch daarentegen strookt geenszins met zijn houding van de schrijvende afgod die weet heeft van mythische verbanden die ons met verbijstering slaan.

De ongeneeslijke lezer, 164.

Resumerend: Hermans mag lelijke zinnen schrijven omdat hij een naar wereldbeeld neerzet in zijn romans, maar Mulisch mag dat niet omdat Arjan Peters vindt dat Mulisch een ‘houding’ heeft ‘van de schrijvende afgod’ etc. Deze laatste opinie onderbouwen ligt natuurlijk nogal voor de hand, maar dáár komt deze impressionist niet aan toe. Iedereen weet immers dat die Mulisch hartstikke arrogant is, en dat is voldoende voor Arjan Peters en zijn lezerspubliek.

Datzelfde lezerspubliek vindt blijkbaar niets zo belangrijk als krakkemikkige zinnetjes, want daar vult Arjan Peters week in week uit een deel van zijn kolommen mee. En tsja, Arjan Peters is er één van ‘u vraagt, wij draaien’, dus als er geen foutjes zijn, dan verzint hij ze. Zo beknort hij Mulisch om de woorden ‘een pak melk, die’ (De ongeneeslijke lezer, 167), terwijl daar helemaal niets verkeerd aan is in de zin:

Elk van hen overhandigt hem als presentje een pak melk, die hij met een instemmende grijns aanpakt.

De procedure, 222.

Maar een brave paladijn van wijlen W.F. Hermans schuwt een leugentje niet, hè Peters? En ook grof op de man spelen is geoorloofd. Zo is het aardig en leuk om over Harry Mulisch, ex-kankerpatiënt, wiens maag wegens een carcinoom operatief is weggenomen, het volgende te schrijven:

De roman is een genot voor pluizer en puzzelaar: dat Amsterdamse restaurant Mirafiori, zat Mulisch daar niets wekelijks zelf zijn muizenhapje te eten [...].

De ongeneeslijke lezer, 167.

Ja, dat is humor om te lachen. Tegelijk laat Arjan Peters hier merken dat hij heus wel een kenner is van ‘het literaire wereldje’. Gezellig kletsen en roddelen, net als aan de Amsterdamse dorpspomp. Een knusse speeltuin hoor, die Nederlandse literatuur. Jammer is wel dat zijn kennis van de wereld bij de stadsgrens van Amsterdam zo’n beetje ophoudt:

In Harry’s Bar (zoiets verzin je niet) te Venetië komt hij Kurt Netter tegen [...].

De ongeneeslijke lezer, 166.

Inderdaad heeft Mulisch daar niets aan verzonnen, maar zo bedoelde je dat niet, hè Peters? Dat Harry’s Bar te Venetië in werkelijkheid bestaat, dat wist je niet. Er zijn er trouwens wel meer. Zo kan ik je Harry’s Bar te Rome aanbevelen, ik heb daar nog eens heel aangenaam espresso zitten drinken. Maar blijf jij maar veilig in Amsterdam. Wat heb je immers te zoeken in van die grote steden in verre vieze landen, waar de mensen zo raar praten.

Geroddel en zweverig geklets over stijl en ritme, dat is wat niet alleen het hier besproken stukje tekst, maar heel het kritische oeuvre van Arjan Peters kenmerkt. Samen met zijn feministische kloon Monica Soeting (die inmiddels gelukkig verdwenen lijkt uit de Nederlandse kritiek) treitert hij elke vrijdag weer iedere boekenliefhebber met zijn pompeus verwoorde meninkjes, intussen schnabbelend dat het een aard heeft, zodat die Januskop inmiddels overal opduikt.

Het feit dat deze impressionistische puntengever nu al een jaar of tien in de kolommen van De volkskrant gehandhaafd wordt, is een symptoom van het naderende einde van de literaire kritiek in Nederland, een einde dat ik zo langzaamaan toejuich. De boekenbijlagen in de kranten worden dunner en dunner, en terecht. Wanneer ons Kees Fens en Jan Blokker ontvallen zijn (moge dat moment lang uitblijven), dan heeft ‘Cicero’ feitelijk geen bestaansrecht meer.

Men kan van een krantenconcern toch niet verwachten dat ze een katern handhaven, zodat Arjan Peters en zijnsgelijken hun inwisselbare boegeroep kunnen blijven aanheffen? De laatste vakbekwame critici kunnen dan een plek krijgen in een weekendbijlage over lifestyle, meubeltjes, dat soort dingen.

De boekenlezer van tegenwoordig is, volkomen terecht, niet geïnteresseerd in de mening van een deskundig geachte boekenjournalist. Boeken worden verkocht op grond van marketing, praatprogramma’s, het lezingencircuit en wat mond-op-mondreclame. De enige deskundige die nog een beetje invloed heeft, is het jurylid van een grote prijs. Voor de recensent is eigenlijk helemaal geen taak meer weggelegd dan het vullen van LiteROM en het leveren van mooie quotes voor flapteksten. En dat hebben ze aan zichzelf te wijten.

  1. Voor alle duidelijkheid: ik heb grote bewondering voor het oeuvre van W.F. Hermans. Mulisch-liefhebbers hebben er doorgaans niet zo’n moeite mee, ook andere schrijvers te bewonderen. Het zijn de volgelingen van W.F. Hermans die behoefte hebben aan dat soort exclusiviteit (mensen als Frans A. Janssen en Jeroen Brouwers natuurlijk niet te na gesproken).Terug
אורן יומטוב