De elementen (in: Vijf fabels, 1995, p. 115). De hoofdpersoon en zijn zoontje bezoeken op Kreta de ruïnes van het paleis van Knossós.
Een witharig echtpaar op bergschoenen, stijf gearmd en ook hun vingers verstrengeld, steekt met besliste tred het plein over.
De ontdekking van de hemel (1992, p. 799-800). Quinten en Onno bevinden zich voorafgaand aan de roof van de Stenen tafelen in de kapel van San Lorenzo, naast het Sancta Sanctorum.
Zij gingen naar de rechter zijkapel, waar nu alleen nog een ouder, kennelijk duits echtpaar was; allebei droegen zij groene loden jassen en keken naar het fresco van de heilige Lorenzo boven het altaar. [...] Terwijl zij bij de buitenmuur stonden, tegenover de bronzen deur met de hangsloten, die naar het Sancta Sanctorum leidde, keek de man in de loden jas plotseling op zijn horloge, zei verschrikt: ‘Good heavens!’ – en nam zijn vrouw haastig aan haar arm mee.
De procedure (1998, p. 299). Victor ziet in zijn verbeelding de Egyptische woestijn.
De stijgende weg naar het plateau met de pyramides is niet verlicht; in de vallei er naast is gescharrel van bedoeïenen, kamelen en geiten tussen de tenten, die reusachtige ingesponnen cocons. Een Engels echtpaar, niet meer zo jong, heft besloten nog even naar de pyramide van Cheops te wandelen, eer zij in de lounge van Mena House wat gaan lezen. Gearmd, hun vingers verstrengeld in elkaar, ondanks de zwoele avond gehuld in stevig tweed, naderen zij de donkere massa, uitgesneden tegen de sterrenhemel, die lijkt te schreeuwen in haar oorverdovende stilte. Er is geen maan. Als zij boven zijn, ziet hij hen plotseling verstarren. Vijf of zes meter bij hen vandaan beweegt een zwart wezen zo groot als een schaap – maar het is geen schaap, eerder een reusachtige salamander, of schorpioen, of tor, laag bij de grond, nauwelijks te onderscheiden in de duisternis, een weerzinwekkende schim, een angstwekkend fabeldier…







